Voorgeschiedenis.
Mijn interesse in de familiegeschiedenis werd gewekt toen mijn schoonvader ons jaren geleden een postzegel schonk met de mededeling dat de familie verwant was aan één van de drie mannen die hierop afgebeeld zijn. Op deze Amerikaanse herdenkingszegel van 1936 – 1937 staan de portretten van William Thomas Sampson, George Dewey en Winfield Scott Schley (alle drie Amerikaanse marine officieren, bekend uit de Spaans-Amerikaanse oorlog uit 1898. Red.)


Bron: Wikipedia
Mijn schoonvader heeft indertijd de familiestamboom uitgezocht en uitgetekend. Helaas hebben wij na zijn dood niets meer terug kunnen vinden. Het enige wat er overgebleven was, was de geboorteakte van zijn vader en de postzegel. In 2003 begon ik met het uitzoekwerk in de hoop dat ik op een gegeven moment onze stamboom Schley zou kunnen linken aan die van de genoemde Winfield Scott Schley, wiens voorvader John Thomas Schley als Johann Thomas Schley in 1712 in Mörzheim in Duitsland geboren is en in 1739 naar Amerika geëmigreerd. De aansluiting van de stamboom van deze admiraal met mijn mans familie heb ik helaas nog niet gevonden.
Zoektocht.
Ik ben begonnen met de geboorteakte van schoonvaders vader Otto Karl Wilhelm Schley. Hierin stond dat hij op 15 september 1891 te Schwarzenbek in Duitsland is geboren als zoon van Wilhelm Schley en Emilie Kriedemann.
Vervolgens heb ik de historicus van de gemeente Schwarzenbek aangeschreven met de vraag of hij uit wilde zoeken of er nog familie in Duitsland is. Als antwoord kreeg ik de namen en geboortedata van twee broers (Bruno Richard Arthur en Alfred Richard Oskar) en een zus (Agnes Elise Mathilde). Op mijn vraag naar de geboortedata van Wilhelm Schley, werd ik verwezen naar het Evangelische Kerkboek omdat vóór 1876 dopen, huwelijken en begrafenissen door de kerk werden geregistreerd. De geboortedata van Wilhelm Schley bleven onbekend, omdat hij niet in Schwarzenbek geboren was. Wel kreeg ik de geboorteakte van een oudere, mij nog onbekende zus (Hilda Dora Carolina). Van een neef kreeg ik een document dat mijn schoonvader had gemaakt ter ere van het 25 jarig huwelijksfeest van zijn ouders. Daarin stonden geboortedata en plaatsen en kon ik verder zoeken. In het Regionaal Archief Dordrecht vond ik de gezinskaart van de vader van oma, toen had ik meteen de gegevens van haar moeder, broers en zussen.
Daarna heb ik via het Stadsarchief Amsterdam de geboorteakte van oma opgevraagd en bedacht toen dat de familie in 1920 in Utrecht woonde omdat mijn schoonvader daar in dat jaar geboren is. Ik bracht een bezoekje aan Het Utrechts Archief en vond de gezinskaart van opa waarop stond dat hij voor die tijd in Rotterdam had gewoond. Dus heb ik via internet het Stadsarchief Rotterdam geraadpleegd en vond daar de huwelijksakte. Hierop stond vermeld als getuige Simon Philips, oud 43 jaar, wonende te Amsterdam, zwager van de bruidegom. Dat betekende dus dat hij getrouwd was met één van de zussen van de bruidegom! Omdat het huwelijk plaatsvond in 1919 en hij toen 43 jaar oud was, moest zijn geboortedatum zo rond 1876 liggen. Ik heb toen weer ingelogd op de website van het Stadsarchief Amsterdam en daar bij de gezinskaarten gezocht naar S. Philips en vond toen een lijstje namen waarvan er één geboren was op 26 april 1876. Van die persoon heb ik toen een kopie van opgevraagd. Groot was mijn verbazing toen bleek dat hij getrouwd was met een mij tot nog toe onbekende zus Anna Emma Louise Schley. Maar dat bracht mij nog steeds niet verder naar de geboortedata van Wilhelm Schley en Emilie Kriedemann. Ik ontving een tip om eens te kijken bij het CBG. Ik heb toen een aanvraagformulier ingevuld en naar het CBG opgestuurd. Na drie weken kreeg ik de door mij gevraagde informatie en zo wist ik waar en wanneer ze geboren waren: Johann Wilhelm Friedrich Schley op 14 augustus 1847 in Penzlin en Ida Alwine Emilie Kriedemann op 17 augustus 1854 in Stolzenhagen. Met deze gegevens vond ik op de website van de LDS een hele familietak (LDS is The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints, ‘De Mormonen’. Red.).
De oudst gevonden voorvader is Jürgen Friedrich Schley, geboren rond 1710 geboorteplaats onbekend, eigenaar op Schloss Pieverstorf, bij Ankershagen, Mecklenburg. Hij was getrouwd met Hedwig Christine Schocken welke 12 jaar ouder was. Zij hadden geen kinderen. Op 29 mei 1763 krijgt het dienstmeisje Marie Dewitz een zoon, welke door Jürgen Friedrich wordt erkend, ondanks dat zijzelf beweerde dat het kind van de knecht Barckmann was, want Schley wilde dolgraag een erfgenaam. Het kind wordt op 30 juni 1763 in Ankershagen gedoopt als Johann Friedrich Schley. Getuigen bij de doop zijn Johann Erdmann Mawe uit Dambeck, het dienstmeisje Sophie Dorothea Dewitzen en Johann Friedrich Dewitz. Hedwig Christine Schocken overlijdt op 1 juni 1772 en Jürgen Friedrich Schley op 18 oktober van hetzelfde jaar, beiden in Pieverstorf. Johann Friedrich Schley woont na de dood van zijn vader in Penzlin waar hij meesterbakker en stadsomroeper is. Hij trouwt eerst met Christina Elisabeth Sellig, geboren op 25 Nov 1765, maar zij overlijdt op 4 Aug 1787.
Dan trouwt hij op 8 Apr 1788 in Stavenhagen met Catharina Christine Zanzig dochter van Jochim Ernst Zanzig en Maria Christina Ludemann. Catharina werd geboren op 3 Nov 1764 in Stavenhagen, Duitsland, is overleden op 24 Sep 1834 en werd begraven op 26 Sep 1834 in Penzlin. Zij krijgen tien kinderen. De jongste zoon Johann Christopher Schley trouwt eerst met Maria Dorothea Karolina Kahrstädt en zij krijgen vier kinderen. Na haar overlijden trouwt hij met Maria Friedrika Karolina Rasch en zij krijgen vijf kinderen. De één na jongste zoon is Johann Wilhelm Friedrich Schley welke in 1875 te Stolzenhagen trouwt met Ida Alwine Emilie Kriedemann. Zij krijgen twaalf kinderen (waarvan vier dochters al heel jong overlijden): Olga Wilhelmine Sophie, Meta Agnes Auguste Emilie, Anna Emma Louise, Hedwig Marianne Lucy, Elsa Hertha Käthchen, Elsa Johanna Carolina, Frieda Ella Minna, Hilda Dora Caroline, Otto Karl Wilhelm, Bruno Richard Arthur, Alfred Richard Oskar en Agnes Elise Mathilde. Het echtpaar Schley-Kriedemann woont van 1875 tot 1880 in Stettin, van 1880 tot 1890 in Hamburg, van 1890 tot 1898 in Schwarzenbek waar Johann Wilhelm Friedrich bedrijfsleider is van ‘de Schwarzenbeker Düngerfabrik’, van 1898 tot 1912 in Dordrecht waar hij direkteur is van ‘de Guanofabriek De Vergulde Swaen’, van 1912 tot 1921 in Memel Oost-Pruissen het huidige Klaipeda in Litouwen, waar hij samen met Hermann Riess in de Marktstrasse 29 een groothandel in kunstmest en granen heeft.
Daarna is het echtpaar verhuisd naar Hamburg alwaar ze zijn overleden. Ze liggen begraven op het Olsdorfer Kirchhof. De oudste zoon Otto Karl Wilhelm trouwt in 1919 in Rotterdam met Geziena Teetenburg. Ze kregen drie kinderen, waarvan de oudste Oscar Wilhelm mijn schoonvader was. Zijn enige zoon Donald Oscar Schley (mijn man) is in 2017 overleden. Wij hebben geen kinderen.
Pieverstorf
Het landgoed Pieverstorf gelegen aan de Dambecker See wordt op 23 april 1273 voor het eerst vermeld als “Pywesdorp” in een bevestigingsoorkonde van Nicolaus I. von Werle aan het Klooster Broda. Kort daarna behoort het de Peccatelse vorsten Bernhard en Heinrich von Peckatel die het eind 15e eeuw aan de Barenflieths verpanden. Op 2 januari 1519 komt het in het bezit van de Holsteins. Voor de dertigjarige oorlog leven hier slechts 6 boeren en meerdere Kossaten (middeleeuwse kleine boeren die een eenvoudig woonhuis of werkplaats bezaten), bij elkaar geteld 19 Feuerstellen (historische benaming voor een haard of woning). Tijdens de oorlog branden het dorp en de in 1574 voor het eerst vermelde kapel af. Ook in 1685 wordt nog van ruïnes gesproken. Rittmeister von Hobe probeert in Pieverstorf een nieuwe kapel te bouwen, maar hij moet in 1694 ophouden, omdat de Patronatsherren hun rechten in gevaar zien komen. De kapel ligt in 1705 nog braak. In 1720 krijgen de Holsteins steeds meer schulden en verpanden landgoed Pieverstorf aan Otto Ludwig Haak. Deze wederom geeft op 9 februari 1732 het bezit voor 9000 Taler voor 12 jaar in pacht aan luitenant Jürgen Ernst von Oldenburg. In 1790 koopt Adolf Friedrich IV von Mecklenburg – Strelitz het landgoed voor zijn broer Ernst Gottlob Albrecht. Deze staat het in 1803 weer af aan Heinrich Carl von Lewtzow. Het dorp en zijn inwoners worden meer en meer een object van speculatie en de mensen worden steeds armer. Na de koopakte van 1803 krijgt de tuinman die de landerijen en het park moet onderhouden, krap 100 Taler en de houtvester 90, daarvoor vrije weidegang voor één koe en het benodigde brandhout. Van 1806 tot 1813 is het landgoed in bezit van de familie Lange. Regelmatig wisselt het nu van eigenaar. In 1878 is het in bezit van Carl Friedrich Rohlack. In 1885 is het in bezit van Matthaus Warncke. In 1886 gaat het landgoed met inventaris en oogst naar de heer Seip, die eigenaar is van Gross Vielen. De overdracht volgt midden september 1886 voor de koopsom van 213000 mark. Na 1900 zijn Baron von Gonthardt en Freiherr von Hunrich na elkaar de eigenaar van het goed dat meer en meer in verval raakt. In 1908 Curt von Honrichs en in 1924 Dr. P von Gontard, Geheimer Baurat. In 1928 Dr. Jur. Robert Henschel. Er is van zijn dochter Ruth Henschel een fotoalbum uit 1935 bewaard gebleven. Dit laat foto’s van het gebouw en de directe omgeving zien. In 1936 moeten de Qualzower boeren, wegens het inrichten van een fascistische oefenplaats voor bommen, tegen een kleine vergoeding vertrekken. Eén van de boeren een zekere Voss, verwerft het vervallen landgoed, dat hierna weer in bloei raakt. In 1945 wordt het in het kader van bodemsanering onteigend en het land aan 20 boeren gegeven.

In 1944 brandt het oude Gutshaus voor meer dan de helft af. Het dienstmeisje was aan het strijken toen de stroom uitviel en liet de strijkbout op de houten strijkplank staan en toen ’s nachts de stroom weer aanging is hierdoor de brand ontstaan. De stallen staan er nog en van de ruïne van de keuken is later een woonhuis gebouwd.
Er is van Ruth Henschel, dochter van de laatste eigenaar van Schloss Pieverstorf een fotoalbum uit 1935 bewaard gebleven. Dit laat foto’s van het gebouw en de directe omgeving zien.


Tegenwoordig is Pieverstorf een klein gehucht met ongeveer 70 inwoners, het is tegelijkertijd zowel een woon- als ook een vakantie-oord. Voor de gasten staan meerdere moderne vakantiehuizen ter beschikking, deels het hele jaar.
Tijdens de wandeling van Pieverstorf naar Kratzeburg komt men één van de grootste Noordduitse burgwallen uit de Bronstijd tegen, welke stamt uit de tijd van de Germaanse bezetting rond 1000 na Chr. De gerestaureerde veldsteenmuren en het park aan de Dambecker See herinneren aan het toenmalige landhuis. In de noordoostelijke bocht van de Dambecker See staat de muur van een Höhenburg uit de bronstijd. De weg naar Kratzeburg bestaat uit een tweesporig pad van betonplaten, dat de breedte van een personenauto heeft. Het dorp dat in 1957 bij de gemeente Kratzeburg kwam behoorde in de tijd van de beide Mecklenburgse groothertogdommen tot Mecklenburg-Schwerin, terwijl de andere dorpen van de gemeente tot Mecklenburg-Strelitz behoorden. Kenmerkend zijn de vele veldsteengebouwen, die net als de oude muren, gebouwd zijn van de hier rijkelijk voorkomende stenen uit de ijstijd en voor een deel onder monumentenbeheer staan.
Gepubliceerd in Gens Germana 2018-4